Tijdens de eerste van vier kennisseminars Brandveiligheid in Van der Valk Hotel in Dordrecht werden enkele belangrijke veranderingen in normeringen aangestipt en uitgediept. “Nu kun je het nog zeggen, straks moet je het aantonen.”
Door Martijn Louws
Door een terugtrekkende overheid wordt brandveiligheid meer en meer de verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar. En diezelfde gebouweigenaar heeft hierbij te maken met allerlei normen, die keer op keer worden aangescherpt.
De feiten: 15.000 binnenbranden per jaar, 60 doden en tal van claims. “De oorzaken van de problemen rondom brandveiligheid hangen samen met onder meer de wet- en regelgeving. Die wordt niet goed begrepen”, zegt John van Lierop van de Federatie Veilig Nederland. Ook het ingewikkelde bouwproces, waarbij opdrachtgever de regie uit handen geeft en er onvoldoende samenhang is in de maatregelen rondom brandveiligheid, speelt een rol.
Het Bouwbesluit gaat vooral over vluchtveiligheid en is zeker geen ontwerpnorm. Zo wordt het minimum het maximum
Kostenpost
“Het Bouwbesluit wordt als uitgangspunt gebruikt, maar het Bouwbesluit gaat vooral over vluchtveiligheid en is zeker geen ontwerpnorm. Zo wordt het minimum het maximum”. Ook wordt brandveiligheid volgens Van Lierop nogal eens gezien als kostenpost. “Alle leveranciers hebben hun verantwoordelijkheid, maar in de praktijk zien we soms tegenstrijdige belangen of creatieve manieren om de regels slim te ‘interpreteren’ om geld te besparen.” Volgens Van Lierop moeten opdrachtgever zichzelf heel goed afvragen welke gevolgen van een brand men wel en welke men niet accepteert. “Met visie krijg je namelijk handelingsgedrag”, houdt Van Lierop de zaal voor. “Leg vast wat je wil maken en gebruik vervolgens de CCV-inspectieschema’s en -certificatieschema’s bij de implementatie van brandveilige maatregelen volgens de geldende normen. Heel belangrijk dit laatste; de CCV-inspectieschema’s en -certificatieschema’s leveren kwaliteit op. Zeker als daarbij wordt samengewerkt volgens het model integrale brandveilige bouwwerken”.
Systeemcompatibiliteit
Samenhang in maatregelen is belangrijk, stelt ook Jac Waas van Honeywell. “Het Bouwbesluit verwijst in de NEN2535 en NEN2575 naar de norm voor systeemcompatibiliteit, de EN54-13. Alles wat in een brandmeldsysteem op elkaar wordt aangesloten, zoals de brandmelders en andere luscomponenten op de brandmeldcentrale, dient als één geheel getest en goedgekeurd te zijn”. Dit is al geldende regelgeving, maar de controle hierop is een aanscherping ten opzichte van de huidig controle, weet Waas. Maar waar hebben we het dan over? Waas legt uit dat er straks onderscheid wordt gemaakt tussen compatibiliteit en connectiviteit.
“Bij compatibiliteit hebben we het over apparaten voor het beveiligen van mens, dier en eigendommen. Denk aan de brandmelders, draadloze systemen, aansturing nevenpanelen en ingangsmodules. Die moeten ook nu al de EN54-13 goedkeuring hebben. Bij connectiviteit zijn het bijvoorbeeld koppelingen met het digitale brandweerpaneel of managementsysteem. Hiervoor stelt de huidige wet- en regelgeving geen aanvullende eisen”. De inhoud van EN54-13 stelt verder dat een storing in één van de brandmeldcentrales de werking van een andere brandmeldcentrale niet mag negatief beïnvloeden. Ook mag een enkelvoudige storing de werking van het netwerk niet negatief beïnvloeden. En een brandalarm moet binnen 20 seconden verwerkt zijn, storingen binnen 120 seconden.
Strenge eisen niet gehandhaafd
Daarbij meldt de EN54-13 iets over transmissiewegen. Waas: “Een storing in de ene transmissieweg mag nooit een andere transmissieweg beïnvloeden. En een storing van een transmissieweg mag de werking van de brandmeldinstallatie niet negatief beïnvloeden. Ook mogen de gevolgen van een korte onderbreking nooit groter zijn dan die van een kortsluiting”. Waas laat verder weten dat de EN54-13 ook andere eisen stelt aan het testen van de brandmeldinstallatie. “Zo moet er een functionele test worden uitgevoerd bij een minimale spanning van de brandmeldinstallatie bij maximale belasting en vice versa. Ook stelt men als eis dat er testen worden uitgevoerd bij meerdere brandalarmen gelijktijdig. Plus een reset bij minimale en maximale spanning”.
De productmanager van Honeywell geeft aan dat de strenge eisen er deels al zijn, maar dat ze niet worden gehandhaafd. “Wat gebeurde er: er wordt gewoon gezegd dat de apparatuur compatible is, maar vanaf 1 januari 2020 moet het ook echt worden aangetoond”. Waas adviseert partijen om met de leveranciers aan de slag te gaan. “Zorg dat zij een verklaring overhandigen dat hun apparatuur EN54-13 gekeurd is. En vraag niet alleen om het voorblad, vraag het hele keuringsrapport op”.
Standaard onderhoudsplan
Nieuws is er ook uit de NEN2654 van 2018. De nieuwe NEN2654 bepaalt onder meer dat er voor ieder onderhoud een onderhoudsplan aanwezig moet zijn. “De manier waarop je het onderhoud doet en test moet je vastleggen. Mijn advies: vraag fabrikanten om een standaard onderhoudsplan waarin product specifieke zaken staan en waarin de testmethode wordt vermeld”, zegt Sjaak Taal van Siemens. Volgens hem krijgt de onderhouder via de nieuwe norm namelijk de mogelijkheid om het onderhoud op een eigen, door de fabrikant voorgeschreven wijze uit te voeren.
Vraag fabrikanten om een standaard onderhoudsplan waarin productspecifieke zaken staan en waarin de testmethode wordt vermeld
“In het onderhoudsplan moet verder de omvang van de installatie worden vastgelegd, evenals de frequentie van het onderhoud, hoe er wordt voldaan aan de nominale- en functionele beproeving en wat het aantal toegelaten ongewenste en onechte meldingen is.” De onderhouder, maar ook de beheerder hebben hierbij beiden verantwoordelijkheden. “De beheerder is de informatiebron van de onderhouder. Zij moeten het gesprek aangaan, waarbij de beheerder moet aangeven wat er is gewijzigd in de organisatie of het gebouw. Heeft er bijvoorbeeld een verbouwing plaatsgevonden? Is er ergens een muurtje gezet? Het kan allemaal van invloed zijn op de brandveiligheid en de juiste werking van de brandmeldsystemen”, aldus Taal.
Aanpassing frequentie onderhoud
Hij laat weten dat de beheerder, volgens de nieuwe richtlijnen, de preventieve beheerder controles en het preventieve beheerders onderhoud mag uitbesteden. “Hierbij kan bijvoorbeeld het onderhoud in vier maanden worden opgedeeld, waarbij gelijk de viermaandelijkse taak mag worden meegenomen. Ook hoeft men nu niet meer elke groep in alarm te brengen, het controleren van iedere doormelding volstaat. Voor rookmelders geldt verder dat die in een andere frequentie dan één keer in de twaalf maanden functioneel mogen worden getest. Hiernaast zijn er ook nog andere voorwaarden zoals in iedere lus moet minimaal één element in alarm worden gebracht”.
Dat wil zeggen dat waar voorheen alleen de technische staat werd beoordeeld, speelt nu ook fysieke staat een rol
Overigens kan de frequentie van het onderhoud worden aangepast mits er een OnderhoudsRisicoInventarisatie en -Evaluatie heeft plaatsgevonden. “Dit moet duidelijk maken of dat betreffende type melder in de omgevingscondities voor die ruimte goed blijft functioneren”. Taal zegt verder dat volgens de nieuwe NEN2654 tijdens het onderhoud de werkelijke staat van het product moet worden gecontroleerd en of die overeenkomt met de, voor de specifieke toepassing, vereiste staat. Daarbij speelt ook de aanpassing in de definitie ‘nominale staat’ een rol. “Nu is ook de projectie onderdeel van de nominale staat”, zegt Taal. “Dat wil zeggen dat waar voorheen alleen de technische staat werd beoordeeld, speelt nu ook fysieke staat een rol”, vertelt Taal. Hij ondersteunt het met een voorbeeld. “Als de plafondplaat in een ruimte met een brandmelder ontbreekt, dan moet die worden teruggeplaatst. Anders is het namelijk niet gegarandeerd dat de melder nog tijdig kan werken”.

Ricardo Dissel van Cable Master vertelt dat de veranderende wet- en regelgeving impact heeft op het gebruik van kabels
Brand- en rookgedrag kabels
Ricardo Dissel van Cable Master vertelde dat de veranderende wet- en regelgeving impact heeft op het gebruik van kabels. “Het Bouwbesluit 2012 stelt nog geen aanvullende eisen als het gaat om het brand- en rookgedrag van kabels. Dit is wettelijk wel verplicht en daarom wordt het bouwbesluit 2012 aangepast. Binnen Europa hebben we te maken met de CPR”. Ruw vertaald is de CPR een verordening voor bouwproducten. In Europa is de CPR bekend als de norm EN 50575 (CPR). In Nederland gebruiken wij voor de bepaling van de brandklasse van kabels de NEN 8012.
Dissel: “Binnen de CPR gaat het om de vraag hoe kabels reageren bij brand. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de brandvoortplanting en warmteafgifte, rookontwikkeling, vallende deeltjes en de zuurgraad. Door dit beter in beeld te krijgen moet het makkelijker worden om de juiste kabel bij het juiste gebouwtype te kiezen. De brandklasse hangt namelijk samen met het brandrisico van een gebouw”.
In sommige gevallen wordt er nu een te lichte brandklasse toegepast
De aanpassing van het bouwbesluit 2012 heeft consequenties, laat Dissel weten. “In sommige gevallen wordt er nu een te lichte brandklasse toegepast bij onder meer gebouwen met een gebruikersfunctie logies (groter dan 500 vierkante meter), kinderopvang (jonger dan 4 jaar), lichte industrie (bedrijfsmatig houden van dieren) en gebouwen met extra beschermde vluchtroutes”. Ook als het gaat om de rookklasse worden andere eisen gesteld. “In geval van een brandklasse van d kabel hanteren fabrikanten een S3-klasse als de standaard, de nieuwe CPR geeft aan dat dit S2 moet worden voor kabels grenzend aan de binnenlucht”, aldus Dissel. Hoewel het tijdspad nog niet geheel bekend is, verwacht Dissel wel dat het aangepaste Bouwbesluit 2012 in januari 2020 effectief wordt.

Cyrille de Haan van VdS Nederland vertelt over de aandachtspunten bij inspectie van brandbeveiligingsinstallaties.
Inspectie
Een brandveilig gebouw is zowel de verantwoordelijkheid van de eigenaar als de gebruiker. Om een objectief oordeel over de brandbeveiligingsinstallatie te verkrijgen, is inspectie de manier. Het is de APK-keuring van een gebouw die beantwoordt aan de maatschappelijk aanvaardbare eisen van het Bouwbesluit. Brandveiligheid certificeren, is de kern van het werk dat Cyrille de Haan van VdS Nederland levert. “Tijdens een inspectie onderzoeken wij of de actuele situatie voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen die geëist zijn in het ontwerpdocument. Is het antwoord ‘ja’, dan volgt er een inspectiecertificaat”, aldus De Haan. Hierbij controleert hij volgens eigen zeggen enkele gebruikersfuncties. “Dit doen wij als VdS vooral in gebouwen waar zorg wordt verleend, in hoge gebouwen, gebouwen met veel aanwezigen, denk aan hotels”. De normen en regels vermeld in het Programma van Eisen zijn de uitgangspunten bij de inspectie.
De Haan: “Het CCV-certificatieschema biedt de mogelijkheid om de inspectie op afgeleide doelstellingen minder zwaar uit te voeren. Dit betekent minder inspectiepunten, onder andere een kleiner aantal melders dat wordt getest. Het voordeel is dat dit vaak voordeliger is. En de kans op afkeur is kleiner, het bespaart tijd en er wordt toch voldaan aan de wet- en regelgeving”. Toch gaat het hier nog wel eens mis, weet De Haan.
Een goede voorbereiding is het halve werk
“Er is niet altijd voldoende kennis of er worden maatwerkoplossingen toegepast die afwijken van de norm en niet zijn overlegd met de overheid of met ons. Door gebruik te maken van de toe te passen normen of bestaande harmonisatie-afspraken van het CCV-schema, wordt getoetst of de situatie voldoet aan de uitgangspunten. Als deze twee stappen niet toe te passen zijn op de situatie geeft de inspecteur ter plekke zijn professionele oordeel, met de onderbouwing. Dit kan positief zijn, maar ook negatief. Het is dus slim om dit van tevoren al te bespreken en te laten toetsen. Een goede voorbereiding is het halve werk.”
Volg Brandveilig op LinkedIn









