Veiligheidsregio’s gebruiken de GRIP-procedure flexibel, maar mogen er wel minder rigide mee omgaan, concludeert het lectoraat Crisisbeheersing van het IFV in het onderzoeksrapport ‘de flexibiliteit van GRIP’. Wat zijn creatieve oplossingen?
Teams kunnen “wel een ROT en geen CoPI doen, een extern team invliegen of een burgemeester mee laten doen”, aldus het onderzoeksrapport van het IFV. Verder vergroot het ‘knoppenmodel’, een wisselend aantal mensen in een team en ‘een keer te hoge of overbodige GRIP’ het flexibel gebruik.
GRIP-procedure
Deze gecoördineerde regionale incidentbestrijdingsprocedure (GRIP) helpt veiligheidsdiensten (brandweer, politie en zorg) om de hulpverlening eenduidig op te schalen bij complexe incidenten. Jaarlijks wordt er in Nederland gemiddeld zo’n 250 keer opgeschaald naar GRIP-1; 60 keer naar GRIP-2; 14 keer naar GRIP-3 en enkele keren naar GRIP-4.
Misverstand
Het lectoraat Crisisbeheersing van het IFV deed in samenwerking met het Veiligheidsberaad en het ministerie van Veiligheid en Justitie dit onderzoek om flexibel gebruik van de GRIP-procedure te stimuleren. “In de praktijk bestaan er enkele, soms hardnekkige, misverstanden die een rigide toepassing van de procedure bevorderen. De kennis en ervaring met vooral de hogere GRIP-vormen is relatief beperkt”, aldus IFV. “Men is in complexe situaties gebaat bij duidelijkheid.”
Rapport
De aanleiding voor dit onderzoek was het rapport van de commissie-Hoekstra en het rapport over de rellen in Haren (commissie-Cohen).





