Rondom de certificering van de brandbeveiligingsinstallaties is de laatste jaren tamelijk veel veranderd. En dat maakt het voor de eindgebruiker niet makkelijker. Daan Jansen MSc. pleit voor een overzichtelijke wereld van certificering.
Eindgebruikers worden vaak al duizelig van het woord certificaat. Behalve inspectie-certificaten bestaan er ook nog installatie-certificaten en onderhoudscertificaten. Niet weinig eindegebruikers denken dat ze een gecertificeerde installatie hebben als er een onderhoudscertificaat of installatiecertificaat hebben. Niets blijkt minder waar als een adviseur of brandweer de stukken bekijkt.
Denk goed na over het beoogde veiligheidsniveau
Aan het hele proces om te komen tot een betrouwbare installatie van goede kwaliteit zitten haken en ogen. Het vraagt veel toewijding van de betrokken partijen. En aangezien iedereen zijn geld maar één keer kan uitgeven moeten we goed nadenken over het beoogde veiligheidsniveau en de balans tussen de (BIO) maatregelen.
– Normconform ontwerp
Bij het opstellen van een uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties worden veel keuzes gemaakt voor het ontwerp van de installatie. De gekozen richtingen kunnen allemaal leiden tot een normconform ontwerp. Deze installaties zijn dan ongeacht de gemaakte keuzes te certificeren met een installatiecertificaat. De gekozen uitgangspunten zullen ook leiden tot een inspectiecertificaat als de gekozen norm past bij het te beveiligen certificaat en dus doelmatig is.
– Gecertificeerde installaties
De keuzes die gemaakt worden kunnen echter wel gevolgen hebben voor de betrouwbaarheid van het systeem. Kortom de kwaliteit kan verschillen als links of rechts de norm wordt gevolgd. Bij een sprinklerinstallatie kan bijvoorbeeld gekozen worden voor automatische standbewaking op de sectieafsluiter, maar een ketting met een slotje is ook voldoende. Bij rookbeheersingsinstallaties kan de bewaking van de componenten bijvoorbeeld handmatig of automatisch plaatsvinden.
– Goede balans tussen BIO-maatregelen
Iedereen zal begrijpen dat dergelijke keuzes leiden tot uiteenlopende betrouwbaarheid en kwaliteit en dat de aanleg van de installatie hiermee duurder of goedkoper wordt. Dus met een gecertificeerde installatie is nog geen optimaal ontwerp gegarandeerd. Daarbij is de installatie maar een enkele schakel uit de veiligheidsketen en bovendien is de afstemming op bouwkundige en organisatorische maatregelen niet zomaar geborgd. Enkel een goed samenspel tussen de BIO-maatregelen leidt daadwerkelijk tot een veilige situatie en voorkomt dure schijnveiligheid.
Brandweer velt oordeel over kwaliteit
Omdat normconforme en gecertificeerde installaties van uiteenlopende kwaliteit kunnen zijn is er hier een belangrijke rol voor de brandweer weggelegd. Eigenlijk is het natuurlijk bevoegd gezag dat hier een oordeel over moet vellen maar praktisch is de brandweer de aangewezen persoon.
Dit vereist wel dat de brandweer veel kennis heeft van de uitgangspunten en installaties die ter goedkeuring worden voorgelegd. Tijdens het opstellen van een Uitgangspuntendocument worden door de adviseur en betrokkenen heel veel keuzes gemaakt en heel veel details bepaald. Omdat het opstellen van deze documenten specialistisch werk is, moet ook de beoordeling door specialisten worden uitgevoerd.
Geïntegreerde documenten? Meer beoordelaars
Wanneer geïntegreerde documenten worden aangeboden is het niet vreemd dat er meerdere beoordelaars nodig zijn. Opstellers hebben vaak hun eigen specialisme, inspecteurs van inspectie-instellingen hebben hun specialisme en het is redelijk dat bevoegd gezag/ de brandweer dit ook heeft. Of de huidige trend bij de brandweer, veiligheidsregio’s en omgevingsdiensten bijdraagt aan de borging en ontwikkeling van deze kennis kan ik niet goed beoordelen maar ik heb wel mijn twijfel.
Brandweer, veiligheidsregio’s en
omgevingsdiensten dragen bij aan kwaliteitsborgen
De nationale brandweer met een eenduidig beleid in verschillende veiligheidsregio’s is op lokaal niveau nog niet echt zichtbaar. Daarbij leidt het loskoppelen van de brandweer van het lokale bevoegd gezag ervoor dat soms de brandweer niet eens meer betrokken is bij de goedkeuring. Bij het beveiligen van industriële risico’s zien we vaak wel een heel grote rol van verzekeraars. Zij hebben vaak duidelijk richtlijnen en eisen waaraan een ontwerp getoetst wordt. Dit alles is natuurlijk bedoeld om de risico’s te beperken en een betrouwbare installatie te creëren. Praktische hebben ze in deze zin een vergelijkbare rol als bevoegd gezag en de brandweer.
Slagers mogen geen eigen vlees keuren
De laatste jaren zijn de inspectie- en certificeringsschema’s flink veranderd en veelvuldig aangepast aan de praktijkervaring die we hebben opgedaan. De belangrijkste verandering hierbij was dat slagers geen eigen vlees meer mogen keuren. Voorheen legden de inspectie-instellingen de uitgangspunten voor de installaties vast. De lezing hierbij was dat door andere partijen zoals opdrachtgever, verzekeraar en adviseur de uitgangspunten werden bepaald. De inspectie-instellingen beoordeelden hierbij of de uitgangspunten voldeden aan de normen. Tegenwoordig mag dit niet meer omdat de Raad van Accreditatie de scheiding tussen opsteller en controleur niet goed gescheiden vond.
Vandaag de dag stelt een adviesbureau de uitgangspunten op en de inspectie-instelling beoordeeld of dit voldoet aan de afgeleide doelstelling en daarmee de installatie certificeerbaar is en een inspectie-certificaat. Vreemd daarbij is dat er bij de beoordeling behalve punten van afkeur, ook adviezen worden gegeven. Deze worden bij de beoordeling omschreven als zogenaamde ‘waarnemingen die niet leiden tot afkeur’. Het zijn wellicht goed bedoelde adviezen die kunnen leiden tot verbetering van het systeem of de borging in het uitgangspuntendocument. Maar het is natuurlijk vreemd dat deze adviezen worden gegeven.
De opdrachtgever ziet door de bomen het bos niet meer
Door de vele bomen in het bos met waarnemingen ziet de opdrachtgever ook het verschil niet meer tussen: ‘Waarnemingen op basis van de inspectiepunten die hebben geleid tot afkeur’ en; ‘Waarnemingen op basis van de inspectiepunten die de grens van het normatief kader benaderen, maar niet hebben geleid tot afkeur’ en; ‘Informatie betreffende de inspectie, die geen invloed heeft op de afgeleide doelstelling’.
Als de waarnemingen die niet leiden tot afkeur of informatief zijn verstrekt door de auteur worden verwerkt in een uitgangspuntendocument moet de inspecteur dit opnieuw beoordelen. Hier ontstaat dan wederom de situatie dat de inspecteur zijn eigen vlees keurt.
Trend: inspectie-instellingen profileren zich
Een nieuwe ontwikkeling is dat inspectie-instellingen zich breder profileren. Behalve de rol om installaties te certificeren waarvoor zij door de Raad van Accreditatie zijn erkend, treden deze partijen de markt breder tegemoet. Begrijpelijk als het gaat om de kansen in de markt, maar het zorgt wel voor een troebel beeld. Bouwkundige certificering behoort bijvoorbeeld tegenwoordig ook tot de mogelijkheden. Hiervoor zijn de inspectie-instellingen niet door de RvA geaccrediteerd. Na het uitvoeren van een inspectie op basis van een zelf opgestelde instructie kan een ‘certificaat’ worden afgegeven als alles voldoet aan de eisen van de instructie.
Opdrachtgevers onderscheiden verschillende certificaten niet
De markt is door alle certificaten zo onduidelijk dat opdrachtgevers de verschillende certificaten niet kunnen onderscheiden. Uiteraard staat het iedere partij vrij om op een dergelijke manier te certificeren volgens een eigen regeling. Wanneer echter erkende inspectie-instellingen dit doen kan het leiden tot devaluatie van het echte inspectiecertificaat. Op zijn zachtst gezegd een ongewenste situatie. Met alle ruchtbaarheid die gegeven is aan certificering is het besef van dit belang flink gegroeid. Het bouwbesluit vereist voor veel brandbeveiligingsinstallaties ook een inspectie-certificaat. Door onze branche is het systeem ook breed omarmd en toegepast. Toch zijn er ook kritische geluiden.
Tijdens een VBE discussieavond over certificering een paar maanden geleden was een heel panel van betrokkenen enthousiast, behalve één persoon. Niet geheel toevallig was dit een eigenaar/gebruiker van een gebouw. De onvrede kwam doordat de kosten voor certificering flink waren gestegen, en de bijbehorende papierwinkel flink was gegroeid. Maar veel duidelijker en technisch beter was het er allemaal voor de betreffende organisatie niet van geworden, terwijl de brandbeveiligingssystemen niet veranderd waren. Kortom, certificering is niet voor iedereen de heilige graal.
‘Wereld van certificering, wordt overzichtelijker!’
We moeten niet zomaar streven naar meer eenvoud want we mogen trots zijn op de zuiverheid van de huidige schema’s. Maar om echt het niveau van brandveiligheid te verhogen moet de eindgebruiker precies weten hoe het werkt. Hij of zij moet immers invulling geven aan alle facetten van (brand)beveiliging en de hele keten sterk maken. Dit vraagt natuurlijk iets van de eindgebruiker, maar misschien kan de wereld van certificering ook iets overzichtelijker worden.
Daan Jansen MSc. schreef dit artikel. Hij is senior Fire Safety Consultant & Associate Director Fire Safety & Security bij Royal HaskoningDHV, Eindhoven.
> Reageren? Dat kan bij daan.jansen@rhdhv.com
> Lees ook Ontruimingsalarm met certificaat, garandeert kwaliteit








