Als het gaat om brandmeldinstallaties, verkondigt de brandweer een dubbele boodschap. Ja, die installaties zijn uiterst belangrijk. Vooral particulieren zouden er meer gebruik van kunnen maken. Maar aan de andere kant… is het nodig dat er zoveel van die BMI’s staan doorgeschakeld naar de brandweer?
Door Peter Passenier
Een drukke avondspits, niets bijzonders. Maar dan klinken er opeens gillende sirenes. Inderdaad, een brandweerauto op weg naar een spoedklus. Verschillende personenauto’s doen een goedbedoelde poging om plaats te maken. Maar helaas rijdt één chauffeur iets te hard achteruit – en hij raakt een voetganger die nog even snel wilde oversteken. Plotseling ligt er niet alleen werk voor de brandweer, maar ook voor de ambulance. Het loopt uiteindelijk goed af, maar het blijft vervelend. Vooral omdat later blijkt dat de brandweerauto voor niets was uitgerukt. Een nodeloze melding.
Uitrukken voor niets
Oké, dit is een dramatisch voorbeeld, maar volgens Vincent de Winter van Brandweer Hollands Midden is het geen uitzondering. “Sterker nog, in zo’n 70 tot 80% van de gevallen rukt de brandweer voor niets uit. Er is bijvoorbeeld sprake van een onechte melding: een technische fout bij de brandmeldinstallatie, waardoor die ten onrechte alarm sloeg. Maar het kan ook gaan om een zogenoemde ongewenste melding. Iemand heeft een tosti laten aanbranden onder een melder, of de hele afdeling is – onder diezelfde melder – gaan gourmetten. Bovendien zie je vooral bij zorgorganisaties nog wel eens dat een van de cliënten op de handbrandmelding drukt, omdat hij boos is of aandacht wil.”
Automatische doorschakeling zorginstellingen
Juist bij zorgorganisaties is dit vervelend, want daar staat de brandmeldinstallatie vaak automatisch doorgeschakeld naar de brandweer. En dat woord ‘automatisch’, daar zou De Winter het liefst vanaf willen. “Natuurlijk, ik snap de gedachte wel. Zorginstellingen werken vaak met mensen die niet zelfredzaam zijn, dus het lijkt logisch om de brandweer zo snel mogelijk te alarmeren. Echter, niet alleen zorgt dat voor te veel valse meldingen, maar het levert ook weinig op. Want bedenk dat de brandweer zelden in vijf minuten op de stoep staat. Dus moeten juist kwetsbare instellingen zorgen voor een goede BHV-organisatie. Bovendien moeten ze scherp hebben nagedacht over de zorgcontinuïteit: waar ga je cliënten opvangen als je eigen gebouw door brand onbruikbaar is? Dat is veel belangrijker dan zo’n doorschakeling.”
Juist kwetsbare instellingen moeten zorgen voor een goede BHV-organisatie
Hotels
Nog kritischer is De Winter als het gaat om de automatische doorschakeling in hotels. “Natuurlijk, daar is sprake van mensen die slapen, en ook nog eens in een onbekend gebouw. Veel van de hotels lossen dit op door een balie die 24 uur per dag bemenst is. Echter, er zijn er ook die dat geld lijken te willen uitsparen: door die automatische doorschakeling naar de brandweer. Het resultaat: wij spelen de rol van nachtwaker en ontruimer, en dus draaien wij ook op voor de kosten. Bedenk wel: iedere nodeloze melding is een verspilling van publiek geld.”
Eerst poolshoogte nemen
Volgens De Winter is de noodzaak voor een automatische doorschakeling voor 95% van de gebruiksfuncties in gebouwen niet meer aanwezig. “Anno 2019 heeft iedereen een mobiel, dus kan een zorgmedewerker eerst poolshoogte nemen en vervolgens alarm slaan. Zo krijg je direct gerichte informatie over wat er brandt, en hoeveel mensen in gevaar zijn. En als de mobiele telefoon het niet meer doet? Dan kun je nog steeds gebruik maken van het vaste netwerk. Bovendien zijn er nu allerlei slimme melders die niet alleen rookontwikkeling detecteren, maar ook de temperatuur. Als die alle twee oplopen, gaat er ook een melding naar de brandweer. Maar als het uitsluitend gaat om rook, komt die melding alleen binnen bij het zorgpersoneel. Dan moet er dus eerst een medewerker gaan kijken of er iets aan de hand is. Zo kun je veel nodeloze meldingen voorkomen.”
Onderhoud
Wat betreft doorschakeling naar de brandweer pleit De Winter dus voor vernieuwing. Maar op een ander punt ziet hij de zaken anders: de keuring van die brandmeldinstallatie. De laatste jaren zien we namelijk een nieuwe trend: keuring op afstand. In 2015 kwam de wetgever met een aanpassing van NEN 2654, de norm die gaat over het onderhoud van brandmeldinstallaties. Als gevolg daarvan hoeft een eigenaar die BMI’s niet meer allemaal fysiek te onderhouden. Dat kan nu digitaal. Op het scherm van zijn laptop kan de onderhoudsdeskundige zien welke melders zijn vervuild en welke niet. Meer efficiency dus.
Digitaal onderhoud kent zijn beperkingen
Keuring op afstand
Maar De Winter is niet enthousiast. “Ten eerste kent dat digitale onderhoud zijn beperkingen. Heel veel zaken blijven onder de radar. Wat bijvoorbeeld als een opslag van linnen verandert in een ruimte met drogers en wasmachines? Dan is het mogelijk dat er plotseling sprake is van een risicoruimte, en daar is de projectering van de BMI niet op afgestemd.”
Maar hij heeft ook een meer principieel bezwaar. “Als je dingen op afstand gaat keuren, raak je de affiniteit ermee kwijt. Wij komen zorginstellingen tegen waar men de brandmeldinstallatie niet eens meer kan bedienen. Een verpleger kwam eens met een verhaal als: ‘De BMI? Dat is iets voor de brandweer.’ Dat vind ik een gevaarlijke gedachte. Die BMI maakt namelijk deel uit van brandveiligheid, en die brandveiligheid hoort bij zijn werk. Hij moet bij brand weten wat hij moet doen, en moet zich afvragen waar het vuur is, welke mensen hij moet informeren en of hij al dan niet de brandweer moet bellen. En uiteraard is hij ook verantwoordelijk voor ontruiming en de continuïteit van de zorg.”
Regels voor onderhoud
Het onderhoud van BMI’s is geregeld in NEN 2654-1. Het gaat om drie soorten keuringen. “Allereerst heb je de dagelijkse controle”, vertelt De Winter. “Vertoont geen van de melders een storing? Één keer per maand hij een stap verder: dan ga je die melders ook testen. En één keer per jaar of in de drie jaar is er sprake van een controle door een gecertificeerd instituut.”
BMI’s bij particulieren
De automatische doorschakeling naar de brandweer vindt De Winter overdreven, maar dat doet niets af aan het belang van de rookmelderinstallatie (2555 NEN). Sterker nog, hier valt volgens hem nog een wereld te winnen. “Ik schat dat zo’n 50% van de particulieren zo’n rookmelderinstallatie heeft hangen. De andere helft dus niet, en dat baart me zorgen. Alle kinderen hebben tegenwoordig een tv op hun kamer en een computer. Het is de vraag of ze iedere keer de stekker uit het stopcontact trekken als ze die kamer verlaten. En als je ziet hoe oud die toestellen vaak zijn, en hoe brandbaar de moderne meubelen… Een rookmelderinstallatie lijkt me dan een basisvoorwaarde.”

Tegelijk vraagt hij zich af of een basis rookmelderinstallatie voor iedereen wel geschikt is. “Een deel van de populatie is hardhorend. Die mensen worden nergens meer wakker van. Dus moet je de vorm van alarmeren aan hen aanpassen. Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan een kussen dat bij zo’n melding flink gaat trillen.”
Op de vingers tikken
Tot slot moet hem nog één ding van het hart. Hij ziet hier ook een taak voor de certificerende instanties. “In het Programma van Eisen staat dat die moeten kijken naar het aantal nodeloze meldingen. Dat is gebonden aan een maximum, en dat maximum hangt bijvoorbeeld af van het totaal aantal meldingen of het aantal vierkante meters. Loopt het aantal valse meldingen te ver op, dan zou die certificerende instantie de gebouweigenaar op de vingers moeten tikken. Maar in de praktijk gebeurt dat nog te weinig.”
Volg Brandveilig op LinkedIn






