Op basis van het in 2013 gesloten energieakkoord staan er forse veranderingen te wachten in het energieverbruik. Op lange termijn is de bedoeling 80 tot 95 procent energiereductie te bewerkstelligen ten opzichte van het verbruik in 1990. De lange termijn betekent het jaar 2050, dus nog 32 jaar te gaan. Als tussenstap wordt 2030 genoemd met als doel een reductie van 49 procent ten opzichte van 1990.
Met de grote problemen in Groningen, aardbevingen met grote schade aan gebouwen is door minister Wiebes een doelstelling geformuleerd: in 2030 gaat de gaskraan dicht. Dit betekent dat 2 miljoen huizen op andere energiebronnen dan aardgas dienen over te gaan. Op dit moment draait 95 procent van de woningen op aardgas. Voorwaar geen kleine verandering en dat is al over 12 jaar. Ongeveer 2 miljoen huizen zijn hierbij betrokken. Om de veranderingen op een juiste manier in gang te zetten en te begeleiden is door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat het Planbureau voor de Leefomgeving in het leven geroepen (PBL). De basis van de transitie is een afname met 45 miljoen ton CO2 in 2050. Vijf sectoren zijn betrokken bij de reductie: Elektriciteit, Industrie, Landbouw en Natuur, Gebouwde Omgeving en Verkeer. Ik beperk me hier tot de sector Gebouwde Omgeving.
Alternatieve bronnen
Overgang op andere energiebronnen betekent voor de Gebouwde Omgeving overgang op alternatieve warmtebronnen als de aanleg van warmtenetten, aardwarmte en restwarmte van de industrie, verder het gebruik van warmtepompen en zonneboilers. Koken op elektriciteit zal in het algemeen de regel worden. Om deze warmtebronnen doelmatig te gebruiken moeten nieuwe woningen aan hoge eisen voldoen en bestaande woningen in belangrijke mate worden aangepast. Aanpassen betekent vergaand isoleren en dat heeft heel wat voeten in de aarde. Het begrip “nul op de meter” (NOM) is geïntroduceerd.
Investeringen
Overgang op andere energiebronnen gaat gepaard met grote investeringen. Naast forse kosten voor isolatie zijn de nieuwe verwarmingsbronnen ook aanzienlijk duurder dan de bestaande. En wat te denken van de komende vervangingsacties van bestaande Cv-systemen? Cv ketels gaan 15 tot 20 jaar mee; na die periode is vervanging aan de orde. Een gemiddelde Cv ketel vervangen kost ongeveer € 2000. De installatie van een warmtepomp vergt een aanzienlijk hogere investering: vanaf € 4000 of meer is heel normaal. Er bestaan op dit moment subsidieregelingen om de overgang te verzachten. Echter zonder vergaande isolatie heeft de overgang niet veel zin. Voor nieuwe woningen niet zo’n probleem maar voor bestaande woningen een grote ingreep. Slecht geïsoleerde woningen uit de jaren 50 en 60 vragen om forse aanpassingen, lees investeringen. Zonder vergaande financiële hulpprogramma’s is dit tot mislukken gedoemd. Op dit moment wordt gezocht naar soepele financiering door de bank- en verzekeringswereld.
Veiligheid
Naast alle financiële problemen dient er ook aandacht te zijn voor de veiligheidsaspecten. Te lang doorgaan met een niet of matig onderhouden systeem introduceert ongewenste gevaren als brand en CO-problemen zoals in eerdere artikelen verwoord. Hier kunnen levens mee gemoeid zijn. Nauwkeurig toezicht op tijdige vervanging is beslist noodzakelijk en de al eerder genoemde APK-keuring van energiesystemen komt weer om de hoek kijken. Belangrijk is ook de vakkundige begeleiding door erkende installateurs, problemen door onvoldoende beschikbare vakmensen speelt mogelijk een rol. De systemen worden niet eenvoudiger eerder technisch hoogwaardiger. De energietransitie en afscheid van aardgas zal nog veel voeten in de aarde hebben. Laten we hopen op een veilig verloop van de oefening.
Leo Porrio is risk consultant





