De ‘rode bussen’ in gebouwen zijn een ieder wel bekend. Mocht er een brand uitbreken, dan kunnen we in ieder geval iets doen om uitbreiding te voorkomen. Of is dit een illusie?
Door Betty Rombout
Brandveilig praat met Gerrit Hagen. Hij is directeur van (Brand-)Veiligheid & Opleidingen (BVO) en hoofddocent van de opleiding Fire Safety Manager en de cursus Brandveiligheid van gebouwen, gespecialiseerd in brandveiligheidszorg/ brandpreventie, bedrijfshulpverlening en bedrijfsnoodplannen voor grote bedrijven en instellingen.
‘Mooie, rode blikken’
Kleine blusmiddelen zijn onder andere de ‘mooie, rode blikken’ die we zien in gebouwen, zegt Gerrit Hagen. “Ze zijn er in alle maten en soorten met daarin verschillende blusmiddelen. Denk aan sproeischuimblussers, CO2-blussers, ABC-blussers, alsook aan brandslanghaspels.”
Van genoemde blusmiddelen mogen we wellicht verwachten dat ze grijp- en gebruiksklaar zijn. Maar, zijn ze dit ook in de praktijk? Hagen denkt even na en zegt: “Nee, zeker niet altijd. Neem een blusmiddel waar een poeder (zout) in zit als voorbeeld. Is dit apparaat onderhevig aan vele trillingen, dan verandert dit poeder in een dikke brei. Oftewel, het apparaat is niet meer praktisch inzetbaar. Een ander voorbeeld is een blusapparaat met een chemisch middel dat maar een bepaalde houdbaarheidsdatum heeft. Na vijf jaar moet zo´n vulling vervangen worden. Gebeurt dit niet, dan is de bluswerking veelal verloren.”
De overheid heeft helaas niet meer de mensen en het geld om ook daadwerkelijk te handhaven
Handhaven
Dit klinkt allemaal niet echt positief. Zijn er geen wettelijke vereisten waar opdrachtgever en onderhoudsleverancier zich aan moeten houden? Gerrit Hagen: “We proberen te handhaven. Maar de overheid heeft helaas niet meer de macht – mensen en geld – om dit ook daadwerkelijk te doen. We kennen wel normen voor kleine blusmiddelen, maar dit zijn geen wettelijke voorschriften. Normen zijn meer een toetsmiddel voor de rechter als het fout gaat. Maar stel dat een brand groter groeit omdat een klein blusmiddel niet goed onderhouden is. Is dit dan nog vast te stellen bij een brand van enige omvang? Nee dus. Er gebeurt niets. Kortom, er vindt geen controle plaats op kleine blusmiddelen uit angst voor juridische gevolgen.”
Een ander voorbeeld: er bestaat wel een norm die zegt dat de toestellen elk jaar gecontroleerd moeten worden. “Maar”, zegt Hagen, “de Tweede Kamer vindt dit een beetje te veel van het goede, oftewel een keer per twee jaar is ook voldoende. Aan de ander kant kunnen we ons afvragen of toestellen die in een rustig kantoorpand hangen, een jaarlijkse controle nodig hebben. De leverancier vindt uiteraard van wel. Logisch, wat het is zijn verdienmodel.”
Bouwbesluit 2012
Alhoewel er dus geen wettelijke vereisten zijn, wordt getracht met normen daar waar mogelijk – en waar een wil is – te handhaven. Deze normen vinden we onder de Woningwet in het Bouwbesluit. Deze wet ‘regelt’ het (brand)veilig gebruik van gebouwen. Hoofdstuk 6 van dit Koninklijk besluit gaat over installaties.
Omschreven staat welke noodzakelijk zijn om het gebouw veilig te mogen gebruiken, teneinde de veiligheid van de mensen te garanderen. “Kleine blusmiddelen behoren tot deze installaties, zegt de wet om vervolgens te verwijzen naar de normen die voor deze toestellen zijn gemaakt. Naast eerder genoemde vorm voor controle, zijn er bijvoorbeeld ook normen voor de kwaliteit van de apparatuur”, aldus Gerrit Hagen.
Contractprijzen die formeel niet kunnen
Het klinkt allemaal nogal vrijblijvend. Op de vraag waar een opdrachtgever op moet letten bij het plaatsen (en onderhoud) van kleine blusmiddelen, zegt Gerrit Hagen enigszins lachend. “De opdrachtgever weet misschien nog net van de ‘rode dingen’ in zijn gebouw. Maar daar stopt het zo ongeveer. Tenzij het grote bedrijven betreft met een bedrijfsbrandweer of degenen met een Bedrijfshulpverlening (BHV) die heel fanatiek is. Het overgrote deel van Nederland weet geeneens hoe ze het woord ´kleine blusmiddelen´ moeten schrijven.”
“Zeker geen opdrachtgevers, bestuurders en inkopers. Het gaat maar om een ding: centen. Een probleem waar we flink tegenaan lopen; de concurrentie in de onderhoudsmarkt van kleine blusmiddelen is gigantisch. Inkopers proberen keer op keer de prijs naar beneden te krijgen. Met als gevolg contractprijzen die formeel niet zouden kunnen, kijkende naar de tijd die een onderhoudsmonteur normaliter nodig zou hebben voor een juiste plaatsing en onderhoud van de middelen.”
De opdrachtgever weet misschien nog net van de 'rode dingen' in zijn gebouw
Onderhoudsmonteur aansprakelijk?
Maar, bij contractering van een goede onderhoudsmonteur mogen we aan de andere kant ook enigszins vertrouwen hebben. In de normen kleine blusmiddelen ligt redelijk goed vast wat hij moet doen. Daarnaast kijkt hij naar de bijzonderheden per klant en dus wensen met betrekking tot kleine blusmiddelen. Stel een toestel heeft een drukmeter, de monteur onderzoekt dan of deze goed werkt. Per soort toestel staat vast, hoe hem te controleren en eventueel te repareren.
Het lijkt erop, gezien kleine blusmiddelen niet echt de prioriteit van opdrachtgevers zijn, dat de verantwoordelijkheid voor het goed functioneren ervan voor een groot deel bij de installateurs ligt. “Dat klopt”, zegt Hagen.
Vraag je mij hoeveel procent van de gebouwen brandveilig zijn in Nederland, dan zeg ik 5% misschien?
Maar stel dat er een brand uitbreekt en achteraf blijkt dat de kleine blusmiddelen niet op orde waren, is hij dan aansprakelijk of moeten we de opdrachtgever hiervoor aankijken? Gerrit Hagen: “Het is mogelijk een installateur aansprakelijk te stellen. Een voorbeeld? Stel dat een dergelijk middel uit elkaar klapt bij gebruik, nadat slechts enige tijd van te voren controle ervan heeft plaatsgevonden. De aansprakelijkheid wordt steeds verder uitgewerkt. Heel geleidelijk gaan we naar Amerikaanse ’toestanden’.”
Opdrachtgever
Dit alles gezegd hebbende, benadrukt Gerrit Hagen nogmaals dat er ook bij opdrachtgevers een taak ligt. Zij zijn verantwoordelijk voor hun mensen. Zegt hij in de rechtbank: “Maar de installateur heeft er verstand van, ik niet”, dan zal de rechter eisen dat de opdrachtgever zich wel degelijk verdiept in de werkzaamheden van de installateur.
Toch blijft de vraag hangen: hoe staat het dan met de (brand)veiligheid in Nederland? Uiteraard, kleine blusmiddelen zijn een (klein) onderdeel van maatregelen die genomen kunnen worden om brand te voorkomen, maar toch… Gerrit Hagen: “Vraag je mij hoeveel procent van de gebouwen brandveilig zijn in Nederland, dan zeg ik 5% misschien? Het is al lastig om een gebouw brandveilig te bouwen, laat staan te onderhouden. Moet er een kabel gelegd worden, dan is een gaatje in een muur gemakkelijk gemaakt, zonder erbij na te denken of dit de brandveiligheid wel of niet in gevaar brengt.”
Buiten beeld certificering en inspectie
Wat zou de ideale situatie zijn? Hagen: “Wil je echt handhaven op kleine blusmiddelen, dan is inspectie door of namens de overheid noodzakelijk; oftewel het opvragen van een formulier/certificaat bij de opdrachtgever die hij ontvangen heeft van de onderhoudsmonteur. Helaas, een dergelijke certificering zullen we voor kleine blusmiddelen nooit voor elkaar krijgen. Dit kennen we bijvoorbeeld wel voor brandmeldinstallaties. Waarom? We praten dan over honderdduizenden euro´s. In tegenstelling tot kleine blusmiddelen, waarvan de prijzen tussen de 100 en 200 euro liggen. Kortom, ze vallen buiten het beeld van certificering/inspectie.”
Lees ook:
- Kleine blusmiddelen, welke zijn geschikt voor welke branden?
- Proeftuin kleine blusmiddelen
- Kleine blusmiddelen: trends en ontwikkelingen
Volg Brandveilig op LinkedIn







