Toen ik 17 jaar geleden als consultant bij NEN startte, had ik weinig verstand van brandveiligheid. En eigenlijk werd het mij als ‘doekje voor het bloeden’ aangereikt. Ik had namelijk gesolliciteerd naar de Europese CEN commissie ‘facilitair management’ waar NEN het secretariaat van voerde. Die commissie bleek bij mijn eerste werkdag door omstandigheden al aan een collega te zijn vergeven. Maar omdat ik mijn belangstelling voor brandveiligheid tijdens de sollicitatie had uitgesproken, kreeg ik drie normcommissies, die op dat vlak actief waren, in mijn schoot geworpen.
Vanaf de eerste kennismaking was ik verkocht. Dit was inderdaad de wereld waar ik mij na mijn studie aanvankelijk verder in had willen verdiepen, ware het niet dat de dienstplicht daar toen een stokje voor stak. Al snel kon ik ervaren, dat brandveiligheid ook beïnvloed wordt door aspecten die soms moeilijk zijn te sturen, laat staan in normteksten te vatten. Te typeren als ‘de onderbuik versus de hersenpan’. Maar juist die twee uitersten hebben mij al die jaren mateloos geboeid.
Mijn eerste project was de ontwikkeling van NEN 6089, ‘opvang en doorstroomcapaciteit van vluchtwegen’. Daar heb ik ook ervaren hoe de brandweerwereld zélf verdeeld kan zijn. Omdat het traject qua traagheid kon wedijveren met het pekexperiment, had het Ministerie ondertussen besloten een eigen rekenmethode via het Bouwbesluit te introduceren. Gelukkig bleek niet elk normtraject zo traag (alhoewel?) en heb ik van zo’n 15 normen de (weder)geboorte mee mogen maken.
De jaren erna groeide mijn pakket alsmaar door, vaak ingeleid door maatschappelijke thema’s, zoals klimaatadaptatie (brandveilig isoleren van gevels), milieu (biobased bouwen, elektrische auto’s in parkeergarages), brandveiligheid zonnepanelen enzovoort, bij elkaar goed voor zo’n 10 werkgroepen en drie normcommissies. Het hadden er nog meer kunnen zijn, als niet de financiële middelen mij af en toe een halt toeriepen.
De voor mij meest kenmerkende ontwikkeling over de laatste jaren is wel de introductie van het ‘risico-denken’. We kunnen proberen alles in normen te vatten, de brandpreventie op een nóg hoger peil brengen, ergens kom je die vermaledijde financiële factor tegen, die met het ontwikkelen van extra veiligheid exponentieel stijgt. Dus daarom de gedachte om de risico’s in kaart te brengen en daarop afgestemde maatregelen voor te staan. Maar naast zo’n ‘maatpak’ blijft het bestrijden van een brand mensenwerk, met de zeer specifieke risico’s die brandweerlieden daarbij lopen.
Verschillende keren heb ik hoogoplopende discussies meegemaakt. Toch waren alle partijen altijd van goede wil en zich er terdege van bewust, dat zonder een goed pakket aan afspraken, de wereld een stuk onveiliger zou zijn. Ik verwacht, dat dit ook altijd zo zal blijven. Soms op basis van voortschrijdende inzichten, nieuwe technieken, soms incident gedreven, streven we er met zijn allen naar Nederland te behoeden voor rampen zoals Grenfell. Ik ben er om die reden van overtuigd, dat ook mijn opvolgers al snel dit vakgebied enthousiast gaan omarmen.
Met zeven normen in de kraamkamer verlaat ik als pensionado dit wereldje, maar niet zonder de verdere ontwikkelingen met veel interesse te blijven volgen. Ik heb privé alvast een abonnement op dit vakblad genomen, om niets te hoeven missen van komende brandende kwesties.
Marc Mergeay was consultant bij NEN en is per 1 mei met pensioen
